Alert

Alert

Vanmorgen zocht ik synoniemen op van het woord ‘alert’.

Waakzaam.
Oplettend.
Wakker.
Attent.
Paraat.
Adrem.
Opmerkzaam.
Gevat.
Raak.
Aandachtig.

Ik was verrast door de verschillende woorden. En ik herkende ze allemaal in mijn gedrag én in waar ik waardering voor krijg.

Alert. Ik kan wel zeggen dat ik dat regelmatig belichaam.

Aandachtig zijn, attent en gevat is in relaties heel prettig. Opmerkzaam en raak komen in mijn werk goed van pas. En waakzaam en oplettend helpen me natuurlijk om iets van controle te houden. De omgeving zegt dan weleens dat ik wat meer mag loslaten en vertrouwen.

Verrassend eigenlijk, hoe ik mezelf herken in deze kwaliteiten, dit gedrag en deze houdingen. En hoe kwaliteiten ook kunnen zijn ontstaan vanuit een overlevingsmechanisme.

Wanneer ik ‘alert’ bekijk vanuit mijn lichaam, en dan met name mijn zenuwstelsel, is alert zijn niet echt een ontspannen en veilig ‘zijn’. Ik sta dan eigenlijk aan.
Ik scan mijn omgeving. Mijn ogen zijn actief. Mijn aandacht is gericht op: moeten we in actie komen? Er is steeds die vraag: veilig of onveilig?

Ik leerde de afgelopen jaren hoe die scherpe afstelling, dat hoog alert zijn, diep in mijn zenuwstelsel zit. Hoe die afstelling in de basis is gevormd door ervaringen in de eerste zeven jaren van mijn leven. En hoe hechting daarin een belangrijke rol speelt.
Maar ik leerde ook hoe ik mijn zenuwstelsel kan beïnvloeden om meer te ontspannen. En hoe ik mijn eigen gevoel van veiligheid actief kan versterken.

Dat van ‘ooit’ is nú niet meer.
Nú heb ik veel meer in handen dan toen.

Met mijn lijf én mijn denkkracht kan ik die alertheid minder op de voorgrond laten staan. En meer vanuit een ervaren van veiligheid ín mezelf in contact zijn met mezelf en anderen.